8.10.16

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeiffer. Duetten. Amsterdam: Lebowski, 2016.

Ik kan nog steeds slecht tegen wat taalkundigen code switching noemen: tijdens een gesprek, of zelfs binnen een zin ineens overschakelen van de ene naar de andere taal. Met de meeste mensen die ik ken en met wie ik verschillende talen deel vind ik het prettig als er een – meestal onuitgesproken – afspraak bestaat over welke taal we spreken, zodat daarover niet onderhandeld hoeft te worden en zodat we ook niet hoeven te wisselen. Ik heb trouwens het gevoel dat dit voor de meeste gesprekspartners ook geldt.

Met het lezen van correspondenties heb ik misschien om die reden al snel problemen. Ik schakel zelfs inhoudelijk liever niet al te vaak. Als een correspondentie uit lange brieven bestaat, gaat het: ik lees eerst een paar pagina's in deze stem, en dan een paar in die stem. Maar als er periodes zijn waarin korte berichten worden uitgewisseld, dan sla ik die over. Zo snel kan ik niet schakelen. Bij brievenromans heb ik dat probleem trouwens niet: dan weet ik dat er één auteur is en stoort mij al dat heen-en-weer niet.

Duetten, de gezamelijke bundel van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, vind ik daarom moeilijk te lezen. Het zijn gedichten die volgens de verantwoording in e-mailcorrespondentie zijn ontstaan: de ene dichter stuurde de ander een paar regels, waar die ander dan weer op reageerde. Bovendien kiezen de dichters voor heel andere stijlen: Pfeijffer voor de gepaard rijmende alexandrijnen die hij bijna tot zijn handelsmerk lijkt te maken, Harmens tot een veel vrijer vers, dat een heel enkele keer zich een beetje aanpast aan die alexandrijnen (alsof iemand voor de vorm zijn Nederlands met een Engels accent begint te spreken), maar over het algemeen is hij veel, veel vrijer: regels van zeer wisselende lengte, zonder metrum en meestal zonder eindrijm.

En ik vind dat ontzettend moeilijk te lezen. De heren reageren op elkaar, laten merken dat ze zien wat de ander wil, of niet, dagen elkaar uit, beuren elkaar op; maar het blijven twee heren, die ieder in een eigen poëtisch universum zitten en het lukt mij nauwelijks of niet om de hele tijd te schakelen van de een naar de ander. Ik kan het daardoor alleen heel oppervlakkig lezen, als een spelletje, als een slam op papier. Er zit misschien meer in, maar door een beperking van mij (ongetwijfeld een beperking van mij), haal ik dat er niet uit.

Geen opmerkingen: