31.8.15

Federico García Lorca. Zigeunerromances. Amsterdam: Meulenhoff, 1997 (1924-1927).

Vertaler: Bart Vonck

Antoni Torres Herredía,
zoon en kleinzoon van Camborio's,
trekt met een wilgentwijg in zijn hand,
naar Sevilla, naar het stierengevecht.
Met zijn olijfhuid van groene maan
stapt hij traag en zwierig.
Zijn zwartglanzende krullen
fonkelen tussen zijn ogen.

Dat zijn de eerste regels van Gevangenneming van Antoñito el Camborio op de weg naar Sevilla, de veertiende romance uit Zigeunerromances, in de vertaling van Bart Vonck. Dat is bij mijn weten de enige Nederlandse vertaling van deze gedichten, of dit gedicht, hoe zeg je dat.

Het is een andere wereld. Dan bedoel ik niet dat ik niet in een wereld leef waar men met wilgentwijgen naar Sevilla trekt, maar niet in een wereld waarin een dichter probeert zulke beelden, zulke oerbeelden te vatten, om uit te drukken wat 'Spaansheid' is, om te zeggen dat de mannen zwarte krullen hebben en een olijfkleurige huid. Het zijn gedichten als de vele vele tekeningen die Picasso maakte van stierengevechten, pogingen om het alledaagse te mythologiseren. Maar die pogingen werken dan weer heel anders op iemand als ik die nog nooit en te nimmer in Sevilla is geweest en als ik er ooit een keer welkom dan nog steeds het stierengevecht niet tot mijn dagelijkse routine zal kunnen rekenen.

Dat maakt het allemaal moeilijk te vatten, ook nog door het voor mij noodzakelijke sluier van de vertaling. Aan de andere kant: er zit, de titel zegt het al, ook een fascinatie voor zigeuners in deze gedichten, en die zijn natuurlijk wel weer exotisch, ook voor Lorca, hoewel ze tegelijkertijd de kern van Andalusië uitmaken.

Dat maakt het allemaal mooi en wonderlijk en interessant. Het is een vreemde bundel, maar wel een bundel

Geen opmerkingen: