23.8.15

Edgar Allen Poe. The Fall of the House of Usher. Gutenberg, 1997 (1838).

Dat ik dit onmiddellijk gelezen heb na Pedro Páramo is, voor zover ik kan nagaan, toeval. Twee verhalen over iemand die in een onwerkelijke situatie komt, in een concrete plek waar niet meer valt na te gaan of de mensen nu leven of dood zijn, al zijn ze dan geschreven met honderd jaar afstand (en zou ik geen invloed van Usher of Páramo kunnen aantonen).

Alleen: The Fall of the House of Usher raakte me helemaal niet. Ik merkte het doordat ik op allerlei dingen ging letten die eigenlijk niets met het boek zelf te maken hebben. Zo begon ik me af te vragen aan welke taalkenmerken je nu zou kunnen zien dat dit verhaal stamde uit het begin van de 19e eeuw, en waaraan je zou kunnen aflezen dat Poe een Amerikaan was. Het lijkt me niet dat het Poe daarom te doen was, en bovendien kun je je soortgelijke vragen stellen bij écht elke willekeurige tekst die je toevallig te lezen krijgt en waarvan je weet wanneer hij geschreven is en door wie.

Het had geen effect op me, misschien omdat horrorverhalen zelden of nooit effect op me hebben. Je kunt angst niet op me overdragen met een verhaal; ik ken de emotie natuurlijk wel, maar hij wordt niet bij me opgewekt terwijl ik iets lees op de manier waarop bijvoorbeeld vrolijkheid of boosheid, liefde of afkeer dat wel kunnen. Dat zal wel iets eigenaardigs in mijn hersenen zijn, maar het maakt dus dat ik zo'n verhaal met gruwelen automatisch alleen maar intellectueel kan bekijken, en dan zie je een verhaal waarvan de boodschap is dat alles gedoemd is te eindigen en in elkaar te storten. Ja, zo is dat, denk je dan.

Bij Pedro Páramo gaat het geloof ik ook niet om de angst, maar meer om vervreemding. En dát krijg ik wel zo gevoeld, daar hoef je me bij wijze van spreken maar drie min of meer samenhangende zinnen voor voor te schotelen.

Geen opmerkingen: