Doorgaan naar hoofdcontent

Edgar Allen Poe. The Fall of the House of Usher. Gutenberg, 1997 (1838).

Dat ik dit onmiddellijk gelezen heb na Pedro Páramo is, voor zover ik kan nagaan, toeval. Twee verhalen over iemand die in een onwerkelijke situatie komt, in een concrete plek waar niet meer valt na te gaan of de mensen nu leven of dood zijn, al zijn ze dan geschreven met honderd jaar afstand (en zou ik geen invloed van Usher of Páramo kunnen aantonen).

Alleen: The Fall of the House of Usher raakte me helemaal niet. Ik merkte het doordat ik op allerlei dingen ging letten die eigenlijk niets met het boek zelf te maken hebben. Zo begon ik me af te vragen aan welke taalkenmerken je nu zou kunnen zien dat dit verhaal stamde uit het begin van de 19e eeuw, en waaraan je zou kunnen aflezen dat Poe een Amerikaan was. Het lijkt me niet dat het Poe daarom te doen was, en bovendien kun je je soortgelijke vragen stellen bij écht elke willekeurige tekst die je toevallig te lezen krijgt en waarvan je weet wanneer hij geschreven is en door wie.

Het had geen effect op me, misschien omdat horrorverhalen zelden of nooit effect op me hebben. Je kunt angst niet op me overdragen met een verhaal; ik ken de emotie natuurlijk wel, maar hij wordt niet bij me opgewekt terwijl ik iets lees op de manier waarop bijvoorbeeld vrolijkheid of boosheid, liefde of afkeer dat wel kunnen. Dat zal wel iets eigenaardigs in mijn hersenen zijn, maar het maakt dus dat ik zo'n verhaal met gruwelen automatisch alleen maar intellectueel kan bekijken, en dan zie je een verhaal waarvan de boodschap is dat alles gedoemd is te eindigen en in elkaar te storten. Ja, zo is dat, denk je dan.

Bij Pedro Páramo gaat het geloof ik ook niet om de angst, maar meer om vervreemding. En dát krijg ik wel zo gevoeld, daar hoef je me bij wijze van spreken maar drie min of meer samenhangende zinnen voor voor te schotelen.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …