Doorgaan naar hoofdcontent

Hugo Claus. Het verdriet van België. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1983).

Misschien gaat ieder boek wel over taal, maar het ligt er niet altijd zo dik bovenop als in Het verdriet van België. Dat verdriet wordt natuurlijk ook al gevormd door taalproblemen die het land zolang het bestaat verscheurd hebben.

In deze roman laat Claus zien dat die problemen nog veel subtieler liggen dan alleen het verschil tussen Vlaams en Frans. Dat Vlaams bestaat uit allerlei schakeringen: van 'Schoon-Vlaams' via het dialect van de buren tot onbegrijpelijk West-Vlaams. De meeste personages in Het verdriet van België zijn heel gevoelig voor zelfs de subtielste van die verschillen; regelmatig maakt er iemand een opmerking over hoe iemand anders iets uitdrukt – dat gebeurt zelden op de juiste manier. En dan komt op zeker moment ook het Duits van de bezetter er nog in. Het verdriet van België is zo een boek over taalvariatie.

Tegelijkertijd is taal voor de hoofdpersoon Louis Seynaeve manier om greep te krijgen op de wereld en op het leven. Het boek begint al met een scene waarin hij met een paar vriendjes een geheime club heeft opgericht waarin ze elkaar 'Apostel' noemen en ook verder iedere snipper papier waarvan je maar zou kunnen vermoeden dat de nonnen er wantrouwend tegenover staan, magische kwaliteiten krijgt. Het eindigt met Louis' ontwikkeling tot schrijver.

Natuurlijk gaat Het verdriet van België ook nog over allerlei andere zaken, maar heel veel ervan kun je ook weer relateren aan taal. De bedompte bekrompen sfeer van het boek komt natuurlijk óók voort uit het feit dat mensen zitten opgesloten in hun eigen kleine gebied.

Ik houd normaliter niet zo van boeken met kinderen of adolescenten in de hoofdrol, ik heb dan het idee dat de schrijver teveel een kunstmatig sluier over de werkelijkheid legt, die hoofdpersoon die allerlei dingen nog niet ziet met onze volwassen blik. En aan teruggaan naar mijn eigen kinderlijke blik heb ik geen behoefte. Maar juist in Het verdriet van België werkt het allemaal wel, juist omdat het een boek is over taal en taalverschillen, en over een jongen die zich daarin een weg moet zien te vinden.

Het verdriet is dé grote roman over taalvariatie.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …