Doorgaan naar hoofdcontent

Jacob Israël de Haan. Pijpelijntjes. DBNL (1904).

Sam en Joop wonen samen in een studentenkamer, en liggen af en toe bij elkaar in bed. Pijpelijntjes is de eerste Nederlandse roman – of in ieder geval de eerste bovengrondse Nederlandse roman – over een homoseksuele relatie, maar je kunt niet zeggen dat de lichamelijke erotiek ervan afspat.

Dat komt niet door preutsheid: wel wordt duidelijk dat Joop af en toe een jongen van straat oppikt en hoewel er geen expliciete seksscènes in het boek staan, wordt er niet erg geheimzinnig gedaan over wat er met die jongens vervolgens gebeurt. Maar tussen Sam en Joop is er iets anders.

Is dat liefde? Vooral Sam blijft eigenlijk ook wel weer wat afstandelijk, gaat af en toe een tijdje weg, en maakt er nooit een geheim van dat hij ooit met een vrouw zal trouwen – wat uiteindelijk ook lijkt plaats te gaan vinden.

De sfeer tussen de twee mannen is vooral landerig. Ze hangen heel wat af op hun canapés. Ze nemen af en toe een buurvrouw een beetje in de maling. Ze eten vis. Ze zitten heel veel binnen, en als ze naar buiten gaan regent het meestal. Pijpelijntjes speelt zich vooral af in kamertjes in de Amsterdamse wijk De Pijp. Homoseksualiteit is er helemaal niet zo raar, zoals ook prostitutie dat niet is, of een man die in de gevangenis zit, of een kind van een buurvrouw die in je gezin is opgenomen. Ook dat Joop en Sam vermoedelijk joods zijn, speelt nauwelijks een rol: De Pijp is een plaats waar de burgerlijke moraal van een eeuw geleden nauwelijks vat op heeft.

En met name Sam doet dingen die nog steeds enigszins schokkend zijn, ook voor onze moraal: dieren kwellen bijvoorbeeld, liefst tot de dood erop volgt. Waarom hij dat doet, wordt in zijn geheel niet verklaard, want dat is het fascinerende van Pijpelijntjes, wat het anders maakt dan veel andere Hollandse binnenkamerromans ervoor of erna: dat er eigenlijk niets wordt verklaard of geduid: de mensen zijn zoals ze zijn, zoals ze elkaar ook eigenlijk allemaal accepteren zoals ze zijn, in De Pijp.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …