27.4.15

Albert Helman. De stille plantage. DBNL, 2010 (1930).

Volgend jaar is het twintig jaar geleden dat een van de interessantste Nederlandse letterkundigen uit de twintigste eeuw overleed: misschien niet eens de grootste schrijver – hoewel hij als zodanig naar mijn smaak ook onderschat wordt – maar zeker een van degenen met het interessantste leven. Als van een tamelijk saaie man als W.F. Hermans zo'n dikke biografie verschijnt, waarom zijn er dan niet al tien boeken over het leven van Albert Helman?

Ik heb nu zijn bekendste boek weer eens gelezen: De stille plantage, over een aantal Franse Hugenoten die aan het eind van de zeventiende eeuw via Amsterdam in Suriname terechtkomen en daar vol humanistische idealen – die 'negers' zijn uiteindelijk ook mensen en zouden dus moeten worden vrijgelaten – aan een plantage beginnen, maar er geconfronteerd worden met grote moeilijkheden van de overweldigende natuur en het onbegrip van de mensen.

Het zou interessant zijn een studie te doen van de precieze invloed van Couperus op Helman. Niet alleen qua titel De stille plantage denken aan De stille kracht, er zijn ook thematische overeenkomsten: het zijn allebei boeken over blanke kolonialen die het op zich misschien allemaal best goed menen, maar in het geheel niet op hun plaats zijn en ook niet werkelijk een idee hebben over de mensen over wie ze geacht worden te heersen.

Bovendien zie je aan Helmans stijl hoe een jonge schrijver ook aan het begin van de jaren dertig nog een (weliswaar heel lichte) woordkunsterige Couperiaanse toets moest hanteren om literair te kunnen zijn. Dat vind ik overigens wel een prettig aspect aan het boek – de stijl waarin het geschreven is, en die op het exotische en overdadige van de natuur benadrukt. Want dat is geloof ik toch wel vooral het onderwerp van dit boek: de keiharde confrontatie van wat zachtmoedige mensen met de keiharde, schrille, schreeuwende natuur.

Het boek doet daarmee een beetje denken aan Heart of Darkness van Conrad. Net als over dat boek is er discussie over (misschien onbedoeld) racisme in De stille plantage. Het probleem is dan dat de slaven door de verteller vooral als een onderdeel van de natuur worden gezien: ze zijn aantrekkelijk, maar ook duister en dreigend, ze hebben eigenlijk geen eigen gedachten van belang. De blanke personages zijn er weliswaar rationeel van overtuigd dat de slaven óók mensen zijn, maar die menselijkheid komt niet echt uit de verf. Zelfs de hoofdman, Isidore, krijgt wel een naam, maar geen echte eigen stem.

Die bezwaren snap ik wel, maar op deze manier geeft het boek juist ook een goed inzicht in de ingewikkeldheid van de problematiek van de slavernij: je treedt als het ware een wereld binnen waarin mensen wel begrijpen dat er iets mis is aan het wereldbeeld om hen heen, maar tegelijkertijd niet aan dat wereldbeeld kunnen ontsnappen. Dat is nuttig, al is het maar omdat we zelf natuurlijk ook nog in een wereld leven die we nauwelijks begrijpen, en al helemaal niet met onze instincten.

Geen opmerkingen: