12.10.14

Peter Sloterdijk. Du musst dein Leben ändern. Suhrkamp, 2013 (2009).

Er zijn tijden geweest, nog niet eens zo heel lang geleden, dat ik een boek als dit onmogelijk uit zou hebben gekregen. Een boek waarin zulke grote woorden worden gebruikt, een boek waarin de mentaliteitsgeschiedenis van zo'n beetje de hele mensheid – zij het met een duidelijk brandpunt in Duitsland – in een paar honderd bladzijden wordt samengevat en een en ander bovendien wordt besloten met een vooruitblik op hoe het nu vanaf hier allemaal verder moet: ik zou het nooit uitgekregen hebben.

Maar mijn leven verandert gelukkig voortdurend. Er is niets prettiger dan dat je wereld zich uitbreidt en dat je ineens genoegen kunt beleven aan iets waarvan je ooit de waarde niet zo in zag. En dat is me nu dus gebeurt met moderne Duitse wijsbegeerte, met Sloterdijk.

Het helpt dat het boek in zekere zin is opgehangen aan een gedicht dat mij al minstens dertig jaar begeleidt: Archaischer Torso Apollos van Rilke. (De titel van dit boek is het slot van dat gedicht.) Dat gedicht heb ik als scholier gelezen, het heeft ervoor gezorgd dat ik nog altijd Rilke lees. En dit boek is in zekere zin één groot exposé dat de kracht van die regel, van dat gedicht uitlegt: dat laat zien hoeveel het zegt over het menszijn – de kans dat je wordt gegrepen door een kapot beeld van een allang dode Griekse god, met de overtuiging dat ook jij boven jezelf uit moet stijgen, dat er meer is op de wereld, dat het anders moet, dat je je leven inderdaad moet veranderen. Dat dit hard werken zal zijn en dat dit ook precies het punt is.

Het lezen van Du musst dein Leben ändern is overigens ook zelf vooral een literair genoegen. Het gaat niet zozeer om de enorm diepe boodschap van het geheel – in alle bescheidenheid geloof ik dat ik die met het bovenstaande wel zo'n beetje heb samengevat. Het gaat om de enorme stroom aan observaties en associaties die Sloterdijk achteloos en tussen neus en lippen door en waardoor je ineens dingen ziet die je nooit eerder ziet: dat klassieke componisten als Haydn en Mozart, met hun vermogen om op ieder willekeurig opgegeven thema een meesterlijke improvisatie te maken, eigenlijk de laatste sofisten waren, die het immers ook als hun opgave zagen om over ieder willekeurig standpunt ter plekke een briljant overtuigende toespraak te houden. Of dat de atleten, met hun bereidheid om alle lichamelijke genoegens opzij te zetten om zo hoog mogelijk te reiken, de nazaten van de ascetische heiligen zijn.

En dan zoveel virtuositeit in een boek dat gaat over het belang van virtuositeit – het is verslavend. Ik ga er meer van lezen.

 

Geen opmerkingen: