27.7.14

Johan Huizinga. Herfsttij der middeleeuwen. Gutenberg, 2005 (2014)

Ik heb iets gedaan dat sommige mensen gruwelijk vinden: de Gutenberg-versie van Herfsttij der middeleeuwen gelezen op mijn e-reader. De schrijver Marcel Möring schreef laatst nog afkeurende woorden over de gebrekkige verzorging van die e-boeken: wat een barbarij! Hoe kan iemand zoiets lezen, met al die rare afbrekingen, die pagina's die er zo raar uitzien!

Mij interesseert het niet of nauwelijks. Ik heb de Herfsttij zelfs ook op papier, maar de elektronische versie was nu even handiger: ik las het boek terwijl ik op reis was. En ik ben na "Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het verleden zoekt", de eerste zin van het 'voorbericht', al vergeten dat ik naar een klein grijs schermpje met iets donkergrijzer Times New Roman zit te kijken.

De zinnen van Huizinga – die roepen inmiddels meerdere lagen van historisch besef op. Daar is de oorspronkelijke laag, die je nog steeds magistraal de Bourgondische veertiende en vijftiende eeuw in voert, toen alle 'levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu' hadden. Die eerste zin van het eigenlijke werk wordt bovendien meesterlijk uitgewerkt: bijna iedere zin die volgt in dit toch best dikke boek is er een uitwerking van. Huizinga geeft een interpretatie van de tijd die hij beschrijft, en wel een heel dwingende. Talloze argumenten worden er aangedragen zodat je (ik weet niks van geschiedenis, dus let op) geneigd bent om te denken dat iedere historicus die het nu zou wagen te beweren dat "het allemaal wel wat genuanceerder ligt" (zulke historici zijn er vast) met groot wantrouwen te bezien.

En dan is er ten slotte een taalmelancholie: ach, de tijd dat een intellectueel die géén romans schreef nog wel zulke kathedralen van zinnen kon bouwen, zo schijnbaar achteloos zoveel virtuositeit aan de dag legde: niks korte zinnen of korte alinea's omdat de lezer je anders niet volgt! Bedt gerust een bijzin in een bijzin in, die je zelf weer inbedt in een bijzin.

Heerlijk, heerlijk. Hoe je dan nog kunt letten op de boekverzorging is mij – barbaar die ik ben – een raadsel.

Geen opmerkingen: