5.5.13

Willem Frederik Hermans. Boze brieven van Bijkaart. De Bezige Bij, 2011 (1977).

Midden jaren zeventig verhuisde Willem Frederik Hermans van Groningen, waar hij jarenlang lector in de geologie was geweest, naar Parijs. Hij schreef er een serie columns voor Het Parool onder het pseudoniem Age Bijkaart.

Waarom hij dat pseudoniem precies gebruikte? Ik heb geen idee. Hermans deed niet erg zijn best om te verhullen wie die stukjes precies schreef. Bijkaart had het de hele tijd over 'mijn vriend Willem Frederik Hermans' en beschikte daarbij over zoveel intieme informatie over die vriend, met wie hij bovendien de woonplaats en alles, alles leek te delen, dat ik niet aanneem dat er ooit iemand is geweest die dacht dat Age Bijkaart iemand anders was.

De titel Boze brieven is bovendien ook enigszins misplaatst, want behalve in de eerste paar brieven is er van boosheid niet zoveel sprake. Gelukkig maar, want de brieven over kwesties waarover Bijkaart zich wél opwond, zijn nu niet meteen de interessantste, of aantrekkelijkste. Het gaat dan vooral om 'socialisten' die allerlei dingen deden die Bijkaart niet aanstonden: voorstellen om studieplaatsen aan de universiteit bij loting aan te wijzen, of meedoen aan de verkiezingen in Zweden, bijvoorbeeld.

Het zijn kwesties die hun actualiteit inmiddels verloren hebben en bovendien laat Bijkaart ook zien hoe bekrompen polemisten vaak, misschien wel noodgedwongen, zijn. Voor een goede polemiek moet de wereld overzichtelijk worden ingedeeld in slimme en goede mensen aan de ene kant en domme en slechte aan de andere. Voor Hermans hoorden de 'socialisten' tot de latere categorie. Het genoegen dat hij daaraan beleefde (en ongetwijfeld aan het gevoel dat hij daarmee mensen tegen de schenen schopte) is 35 jaar later niet goed meer na te voelen.

Ook verder blijkt hij af en toe achterhaald. Er staat bijvoorbeeld een stuk over Turing in waaruit blijkt dat de grote natuurwetenschapper Hermans eigenlijk maar weinig over Turing wist. Hij maakt bijvoorbeeld een wat rauwe sneer over de 'zelfmoord' van Turing (en lijkt niets te hebben geweten over de dubieuze achtergrond van die zelfmoord) en denkt oprecht dat Turing in de Tweede Wereldoorlog een apparaat had uitgevonden, de Turing-machine, die de geheime codes van de Duitse Enigma-machine ontcijferde. Daarmee gooit hij een aantal dingen door elkaar: die Turing-machine was geen echte machine, maar een mathematisch object (de ideale computer), en hoewel Turing deel uitmaakte van een team dat inderdaad de Enigma-codes ontcijferde, speelde de Turing-machine daarin geen rechtstreekse rol.

Het mooist is Bijkaart wanneer hij lyrisch durft te zijn – over fotografie, bijvoorbeeld, of over Parijs op dagen wanneer iedereen er weg is. Dan blijkt ineens zijn grote talent, zoals je dat ook in zijn romans ziet.

Geen opmerkingen: