8.4.13

Chrétien Breukers. Het eerste gedicht. Over het lezen van poëzie.Varik: De Weideblik, 2013

"Was ik een recensent," schrijft Chrétien Breukers in zijn nieuwe boek Het eerste gedicht, "dan zou ik zeggen dat Van Daalen een 'intrigerend en verontrustend spel van literatuur en leven speelt. Nu zeg ik: 'zelden een meer levende knekel gezien.'"

Breukers is geen recensent, in dit boek. Hij bespreekt het eerste gedicht van tientallen in de afgelopen jaren geschreven bundels, maar hij wil daarbij geen recensent zijn. Dat gaat hem geloof ik vooral om het taalgebruik van recensenten; daar zet hij zich regelmatig tegen af, tegen die taal, net als tegen de taal van jyury's en flapteksten. Want Breukers is ook geen jurylid en geen flaptekstenschrijver.

Maar behalve die dingen is hij verder van alles en nog wat in het Nederlandse dichtwereldje van het begin van de 21e eeuw: uitgever, dichter, beheerder van een weblog dat allerwegen wordt geroemd als hét podium voor poëzienieuws, De Contrabas. En dat laatste is hij in Het eerste gedicht nog het meest, een weblogger: iemand die dagelijks journaal houdt, die je kunt volgen in de dagelijkse worsteling met de vraag wat er nu precies de moeite waard is, aan die poëzie.

Ik lees De Contrabas bijna elke dag en ik kende de meeste stukken in deze bundel dus al. Het is raar hoe dat werkt: ik heb Breukers nog nooit ontmoet, maar door zo'n blog krijg je het gevoel dat je de auteur kent, veel meer dan het geval is dan bij een essaybundel.

Ik denk dat het bloggen eigenlijk de beste nieuwe vorm van literatuurkritiek is. Je bent een lezer die zich door de enorme rijstebrijberg aan te lezen materiaal heen eet. Steeds verschijnen er weer nieuwe boeken op je pad waarvan je vermoedt dat je ze moet lezen, omdat ze fijn zijn om te lezen of omdat je er iets aan gaat hebben. Een blogger is een andere lezer die ergens anders aan de rijstebrijberg knaagt, en die je een beetje leert kennen, of denkt te leren kennen, en met wie je gaat meelezen en van wie je af en toe een titel oppikt die je ook weleens zou kunnen lezen.

 En nu staan de stukken toch bij elkaar in een bundel, en daar staan ze ook goed. Het lijkt me een handzame kennismaking met de complexe persoon die Breukers is – complex omdat hij nu eenmaal een levende knekel is, alle levende knekels zijn complex –, een Contrabas voor beginners: wanneer je voor het eerst op zo'n website komt, weet je er misschien niet meteen de weg.

Ook na dit boek zou ik geloof ik nog steeds niet goed durven raden wat Breukers over een nog niet besproken boek gaat vinden. Het eerste gedicht begint met een soort manifest, een klacht over de staat van de poëzie: de vraag hoe het komt dat uitgevers hun dichtbundels niet aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Zijn conclusie is dat het aan de dichters ligt, aan het feit dat ze zo in zichzelf gekeerd zijn, dat ze alle poëzie geschreven lijkt te zijn voor een klein groepje ingewijden.

Je zou dan kunnen denken dat hieruit volgt dat hij in zijn individuele besprekingen wel flink tekeer zou gaan tegen dichters die duister zijn, maar meestal is hij dat helemaal niet. Zijn methode is er juist een van heel zorgvuldig proberen uit te pluizen wat er staat. Hij laat zich ergens ontvallen dat hij een student van Kees Fens is geweest, en de houding van Fens lijkt hij zich te hebben eigengemaakt.

Dat je afzetten tegen het elitaire en het onbegrijpelijke, en tegelijkertijd bereid zijn ieder gedicht serieus te nemen laat zich moeilijk rijmen – ik zou nooit hebben durven voorspellen dat Breukers iets positiefs zou zeggen over de nieuwe bundel van Charlotte Mutsaers, maar dat doet hij dus wel.

Maar juist dat onvoorspelbare maakt de charme uit van De Contrabas, en van deze bundeling. Hier is iemand van dag tot dag aan het worstelen met de materie, met de vloed aan bundels die over hem wordt uitgestort en met de vraag hoe het allemaal verder moet. Was ik een recensent, ik zou zeggen: Lees die man. Maar ik ben een blogger en ik zeg: wat een levende knekel.

Geen opmerkingen: