Doorgaan naar hoofdcontent

Chrétien Breukers. Het eerste gedicht. Over het lezen van poëzie.Varik: De Weideblik, 2013

"Was ik een recensent," schrijft Chrétien Breukers in zijn nieuwe boek Het eerste gedicht, "dan zou ik zeggen dat Van Daalen een 'intrigerend en verontrustend spel van literatuur en leven speelt. Nu zeg ik: 'zelden een meer levende knekel gezien.'"

Breukers is geen recensent, in dit boek. Hij bespreekt het eerste gedicht van tientallen in de afgelopen jaren geschreven bundels, maar hij wil daarbij geen recensent zijn. Dat gaat hem geloof ik vooral om het taalgebruik van recensenten; daar zet hij zich regelmatig tegen af, tegen die taal, net als tegen de taal van jyury's en flapteksten. Want Breukers is ook geen jurylid en geen flaptekstenschrijver.

Maar behalve die dingen is hij verder van alles en nog wat in het Nederlandse dichtwereldje van het begin van de 21e eeuw: uitgever, dichter, beheerder van een weblog dat allerwegen wordt geroemd als hét podium voor poëzienieuws, De Contrabas. En dat laatste is hij in Het eerste gedicht nog het meest, een weblogger: iemand die dagelijks journaal houdt, die je kunt volgen in de dagelijkse worsteling met de vraag wat er nu precies de moeite waard is, aan die poëzie.

Ik lees De Contrabas bijna elke dag en ik kende de meeste stukken in deze bundel dus al. Het is raar hoe dat werkt: ik heb Breukers nog nooit ontmoet, maar door zo'n blog krijg je het gevoel dat je de auteur kent, veel meer dan het geval is dan bij een essaybundel.

Ik denk dat het bloggen eigenlijk de beste nieuwe vorm van literatuurkritiek is. Je bent een lezer die zich door de enorme rijstebrijberg aan te lezen materiaal heen eet. Steeds verschijnen er weer nieuwe boeken op je pad waarvan je vermoedt dat je ze moet lezen, omdat ze fijn zijn om te lezen of omdat je er iets aan gaat hebben. Een blogger is een andere lezer die ergens anders aan de rijstebrijberg knaagt, en die je een beetje leert kennen, of denkt te leren kennen, en met wie je gaat meelezen en van wie je af en toe een titel oppikt die je ook weleens zou kunnen lezen.

 En nu staan de stukken toch bij elkaar in een bundel, en daar staan ze ook goed. Het lijkt me een handzame kennismaking met de complexe persoon die Breukers is – complex omdat hij nu eenmaal een levende knekel is, alle levende knekels zijn complex –, een Contrabas voor beginners: wanneer je voor het eerst op zo'n website komt, weet je er misschien niet meteen de weg.

Ook na dit boek zou ik geloof ik nog steeds niet goed durven raden wat Breukers over een nog niet besproken boek gaat vinden. Het eerste gedicht begint met een soort manifest, een klacht over de staat van de poëzie: de vraag hoe het komt dat uitgevers hun dichtbundels niet aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Zijn conclusie is dat het aan de dichters ligt, aan het feit dat ze zo in zichzelf gekeerd zijn, dat ze alle poëzie geschreven lijkt te zijn voor een klein groepje ingewijden.

Je zou dan kunnen denken dat hieruit volgt dat hij in zijn individuele besprekingen wel flink tekeer zou gaan tegen dichters die duister zijn, maar meestal is hij dat helemaal niet. Zijn methode is er juist een van heel zorgvuldig proberen uit te pluizen wat er staat. Hij laat zich ergens ontvallen dat hij een student van Kees Fens is geweest, en de houding van Fens lijkt hij zich te hebben eigengemaakt.

Dat je afzetten tegen het elitaire en het onbegrijpelijke, en tegelijkertijd bereid zijn ieder gedicht serieus te nemen laat zich moeilijk rijmen – ik zou nooit hebben durven voorspellen dat Breukers iets positiefs zou zeggen over de nieuwe bundel van Charlotte Mutsaers, maar dat doet hij dus wel.

Maar juist dat onvoorspelbare maakt de charme uit van De Contrabas, en van deze bundeling. Hier is iemand van dag tot dag aan het worstelen met de materie, met de vloed aan bundels die over hem wordt uitgestort en met de vraag hoe het allemaal verder moet. Was ik een recensent, ik zou zeggen: Lees die man. Maar ik ben een blogger en ik zeg: wat een levende knekel.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Nick Hornby. Funny Girl. Penguin, 2015.

Nick Hornby leeft in een fijne wereld, die uit twee kanten bestaat. Aan de ene kant is er competent uitgevoerd werk. Aan de andere kant bestaat er pretentieloos, maar daarom niet minder competent uitgevoerd vermaak.

Het is een wereld van romantische komedie, zij het dat die komedie ook nog best 30 jaar door kan gaan en dan nog altijd niet verzuurt. Het is een wereld waarin je af en toe geniet van een voetbalwedstrijd en dan weer van een goed boek. Het is een wereld waarin je niet eens heel veel moeite hoeft te doen om mooie, door veel mensen gemaakte dingen hoeft te maken, omdat het je eigenlijk allemaal aan komt waaien.

Het is in dit boek de wereld van Barbara uit Blackpool die aan het begin van de roman – die zich afspeelt in de jaren zestig – wegloopt als ze tot Miss Blackpool verkozen wordt en denkt dat er iets beters op haar wacht en die dan binnen korte tijd inderdaad haar eigen sitcom krijgt op de BBC. Die moeiteloos vervolgens miljoenen kijkers aan zich bindt.

Veel spanning zi…