Doorgaan naar hoofdcontent

Noam Chomsky. The Essential Chomsky. The New Press, New York. (2008)

Er zijn weinig levende mensen die ik zo bewonder als Noam Chomsky, de intellectueel, de taalkundige, de politiek denker. Niet omdat ik vind dat hij nu altijd gelijk heeft, want dat vind ik zelden – al kom ik er vaak ook achteraf achter dat hij dat achteraf misschien wel had, en ik niet. Maar omdat hij zo duidelijk strijdt voor zijn mensbeeld, zo onvermoeibaar nu nog steeds ondanks zijn toch al gevorderde leeftijd opkomt tegen wat hij als onrecht ziet.

En dan is er zijn verpletterende werk over taal en taalwetenschap, waarvoor ook weer geldt dat ik de dingen niet noodzakelijkerwijs zo zie als hij, maar waar hij de mensheid wel een rijk oeuvre heeft gegeven vol met volkomen nieuwe inzichten, puzzels, vragen, antwoorden, manieren om die antwoorden in twijfel te trekken, enzovoort.

Hoe kan iemand dat allemaal bij elkaar bedenken en dan ondertussen ook nog tienduizenden lezingen geven over de hele wereld, honderden e-mails per dag beantwoorden (de paar keer dat ik naar hem schreef, kreeg ik altijd binnen een paar dagen antwoord), en een leven leiden.

Ik heb een stuk of twintig van Chomsky's boeken – dat is slechts een fractie van wat hij geschreven heeft, en bovendien heb ik al een aantal jaar afgezien van een enkel los stuk in een tijdschrift, niet veel meer van hem gelezen. The Essential Chomsky beloofde een overzicht te geven van al het werk van de grote man in een pagina of 400 en bevat inderdaad klassiekers als de vernietigende aanval uit 1957 op Skinner's taalpsychologie en essays over de verantwoordelijkheid van intellectuelen voor wat hun regering allemaal verkeerd doet.

Mijn bewondering voor deze enorme geest is niet afgenomen, al lijkt me The Essential Chomsky toch niet de definitieve bundel die de tijd zal doorstaan. Met name de politieke essays, met name die van het begin, heb ik toch af en toe nu al meer doorgebladerd dan gelezen. Chomsky toont zich in zijn argumentatie altijd een meester van het detail: enorme bergen gegevens worden er opgediept uit allerlei bronnen om te bewijzen dat hij gelijk heeft; en het is af en toe moeilijk om nu nog zoveel interesse op te brengen voor allerlei details uit de oorlog in Vietnam. Er moet ooit een bloemlezing komen die wat tijdlozer is, waarin de belangrijkste inzichten uit Chomsky's werk ook toegankelijk worden gemaakt voor mensen uit de 21e eeuw.

In het algemeen reist bij het doorlezen van deze bundel af en toe de vraag: waarom heeft Chomsky eigenlijk altijd zo véél geschreven? Ook in de taalfilosofische stukken (zijn technische taalkundige werk is in deze bundel helemaal niet opgenomen) vind je nu al eigenlijk meer herhaling dan goed is. Waarom heeft hij dezelfde voorbeelden een aantal keer op min of meer dezelfde manier – nooit precies hetzelfde, altijd net ietsje anders – beschreven? Ook zonder al die gedeeltelijke herhalingen zou het werk al omvangrijk geweest zijn; nu is het feitelijk een oerwoud waardoor je je nauwelijks een weg kunt banen.

Misschien heeft het wel iets te maken met de kern van Chomsky's taalfilosofie. Een belangrijk punt voor hem is dat taal niet primair een communicatiemiddel is, maar een manier om gedachten te uiten en vorm te geven: language is audible thought. Hij wijst er ook heel vaak op dat 'de meeste taal' bestaat uit innerlijke monologen. Ik geloof dat veel mensen dit een moeilijk te accepteren observatie van hem vinden, en ik heb zelf ook niet zo'n duidelijk gevoel dat ik de hele tijd in mezelf aan het praten ben.

Hoe dat ook zij, ik denk dat we Chomsky's observatie in ieder geval voor hemzelf wel serieus moeten nemen: in zijn hoofd vormen zich kennelijk continu zinnen en al die lezingen en geschriften zijn vooral manieren om daar een hoorbare of leesbare vorm aan te geven. Vandaar die herhalingen: af en toe herneemt hij een gedachte, denkt daar opnieuw over na, breidt hem mogelijk een klein beetje uit. En geeft de wereld weer een klein inkijkje in dat wonderbaarlijke hoofd van hem.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …