7.3.13

Jonathan Franzen. Freedom. Farrar, Straus and Giroux, 2010.

Toen ik ongeveer op tweederde van Freedom was, maakte ik een vergissing: ik las online enkele van de recensies die er over dit boek verschenen zijn. En die hebben het plezier in het boek bijna bedorven.

Bijna alle recensenten gaven toe dat ze het een mooi boek vonden, maar sommigen klaagden dat het toch echt geen Great American Novel, toch echt geen literatuur was. Daarvoor zijn de gedachten niet diep genoeg en vooral: daarvoor is het boek te realistisch. En het realisme is nu eenmaal al sinds de negentiende eeuw dood.

Nu is Freedom inderdaad misschien niet zo diep. Ik heb er in ieder geval weinig nieuwe ideeën door gekregen over wat vrijheid is. Je ziet wel hoe allerlei mogelijke beperkingen worden afgewerkt: je bent minder vrij door de relaties die je aangaat, door de gevoelens die je voor mensen ontwikkelt, door je eigen karakter en wat je misschien van je familie hebt meegekregen. Dat zijn natuurlijk ook precies de thema's van het 19e-eeuwse realisme: de manier waarop de menselijke natuur bijna wetenschappelijk kan worden verklaard uit allerlei omgevingsfactoren. En wat dat betreft is Freedom niet veel opgeschoten. (Sommige critici zeggen dat het eigenlijk een soort modern Middlemarch is, en dat lijkt me een heel prettig verwijt om te krijgen voor een romanschrijver.)

Maar het is ook wel een beetje een raar soort zorg om te hebben, of dit of dat boek wel literair genoeg is, en of het de tand des tijds wel zal overleven. Wie zal het allemaal zeggen – en alle recensenten die ik las zijn het erover eens dat het een mooi boek is.

Toch zat het me even dwars bij het zevende achtste van dit boek. Een recensent meende bijvoorbeeld dat satire 'niet Franzen sterkste kant was'. Was het eigenlijk wel grappig genoeg?

Maar gelukkig dook er op dat moment een nieuw bijpersonage op, een zekere Linda, die grappiger is dan alle andere personen in elkaar (misschien de enige echt grappige, dat geef ik toe). Linda is een wat dommige evangelische christen die de hele tijd haar eigen domheid en haar gelovigheid weet in te zetten om de dingen voor zichzelf goed te praten. 

Zij is een tijdje de grote vijand van hoofdpersoon Walter die zich boos en verdrietig heeft teruggetrokken in een bos waar ook Linda's villa staat.  Het probleem is: Linda's kat vermoordt de hele tijd vogeltjes, terwijl er een regel is die verbiedt dat huisdieren vrij rondlopen in de natuur. Walter gaat zijn beklag doen en dan volgt een gesprek tussen doven. Linda legt bijvoorbeeld uit dat haar poes nu eenmaal graag naar buiten wil. "Maar hoe kun je dat nu weten?" vraagt Walter. "Kun je soms met je poes praten?" Linda maakt daar dan onmiddellijk in haar verslag aan anderen van dat die zonderling denkt dat je alleen een huisdier mag hebben als je ermee kunt praten. 

Nou ja, je moet het zelf leven. Grote literatuur? Wat kan mij het schelen. Mag realisme nog? Alles mag wat fijn is. Een lekker leesboek, dat mag zeker.

Geen opmerkingen: