Doorgaan naar hoofdcontent

Francesco Piccolo. Momenti di trascurabile felicità. Milano, Enaudi, 2011

Mijn hele leven heb ik details willen zien. Ik heb dit geloof ik nog nooit aan iemand verteld, maar mijn grote voorbeeld was voor mij lange tijd een Franse man die ons tijdens een vakantie rondleidde over een boerderij en over werkelijk ieder scheurtje in het plafond en iedere verdwaalde lampetkan een gedetailleerd en boeiend verhaal wist te vertellen. Zo heb ik sindsdien ook willen zijn – altijd op zoek naar de interessante scheurtjes in het plafond.

De Italiaanse schrijver Francesco Piccolo is ook zo. Zijn boekje Momenti di trascurabile felicità staat vol met dat soort observaties. Dat er altijd een aparte, lacherige sfeer ontstaat wanneer ergens waar een gezelschap bijeen is ineens het licht uitvalt. En dat men gaat klappen als het licht dan weer aangaat. Dat niemand precies weet wat te doen wanneer een telefoonverbinding verbroken wordt: wie belt wie dan terug? Hoe automobilisten in Rome onwillekeurig afremmen wanneer ze een voetganger naast een auto zien staan, omdat ze denken dat die voetganger misschien bij die auto hoort, en binnenkort wegrijdt, om zo een parkeerplaats vrij te maken.

Dat soort observaties werken op de een of andere manier aanstekelijk, onder andere omdat niemand anders ze maakt, terwijl iedereen ze maakt. Het gaat over dingen waarvan je door zo'n boekje ineens ontdekt dat ze niet privé zijn. Nee, dat is het eigenlijk ook niet: je dacht nooit dat ze niet privé waren, je besteedde er nooit aandacht aan.

Het valt me wel op hoe gefascineerd Piccolo is door het verkeer. Heel veel van zijn geluksmomenten hebben te maken met verkeersdeelnamen: in treinen, in auto's, in auto's wachtend op voorbij komende treinen, op de stoep naast de auto, enzovoort. Die fascinatie deel ik niet, of beter kan ik zeggen: deelde ik niet. Ik zal de volgende keer toch wat beter opletten, in de trein.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…