26.1.13

Francesco Piccolo. Momenti di trascurabile felicità. Milano, Enaudi, 2011

Mijn hele leven heb ik details willen zien. Ik heb dit geloof ik nog nooit aan iemand verteld, maar mijn grote voorbeeld was voor mij lange tijd een Franse man die ons tijdens een vakantie rondleidde over een boerderij en over werkelijk ieder scheurtje in het plafond en iedere verdwaalde lampetkan een gedetailleerd en boeiend verhaal wist te vertellen. Zo heb ik sindsdien ook willen zijn – altijd op zoek naar de interessante scheurtjes in het plafond.

De Italiaanse schrijver Francesco Piccolo is ook zo. Zijn boekje Momenti di trascurabile felicità staat vol met dat soort observaties. Dat er altijd een aparte, lacherige sfeer ontstaat wanneer ergens waar een gezelschap bijeen is ineens het licht uitvalt. En dat men gaat klappen als het licht dan weer aangaat. Dat niemand precies weet wat te doen wanneer een telefoonverbinding verbroken wordt: wie belt wie dan terug? Hoe automobilisten in Rome onwillekeurig afremmen wanneer ze een voetganger naast een auto zien staan, omdat ze denken dat die voetganger misschien bij die auto hoort, en binnenkort wegrijdt, om zo een parkeerplaats vrij te maken.

Dat soort observaties werken op de een of andere manier aanstekelijk, onder andere omdat niemand anders ze maakt, terwijl iedereen ze maakt. Het gaat over dingen waarvan je door zo'n boekje ineens ontdekt dat ze niet privé zijn. Nee, dat is het eigenlijk ook niet: je dacht nooit dat ze niet privé waren, je besteedde er nooit aandacht aan.

Het valt me wel op hoe gefascineerd Piccolo is door het verkeer. Heel veel van zijn geluksmomenten hebben te maken met verkeersdeelnamen: in treinen, in auto's, in auto's wachtend op voorbij komende treinen, op de stoep naast de auto, enzovoort. Die fascinatie deel ik niet, of beter kan ik zeggen: deelde ik niet. Ik zal de volgende keer toch wat beter opletten, in de trein.

Geen opmerkingen: