18.8.12

Helene Uri. De besten onder ons. Breda: De Geus, 2012 (2006).

vertaling: Neeltje Wiersma
Ik heb het niet vaak, dat ik een boek lees dat ik zelf geschreven zou willen hebben. Ik kan van een boek genieten, ik kan het bewonderen, ik kan heel blij zijn dat het er is – maar waarom zou ik dat dan zelf geschreven willen hebben?
Dat ligt anders bij De besten onder ons, de onlangs uit het Noors vertaalde roman van de Zweedse taalkundige Helene Uri. Dat is een prettig boek om te lezen, al kan ik niet zeggen dat het mijn leven een nieuwe wending gaat geven of dat ik verwacht dat Uri de Nobelprijs gaat krijgen. Maar wat leuk moet het zijn geweest om te schrijven!
Het boek gaat over een van de vele gigantische instituten voor taalwetenschap die de Universiteit van Oslo in Uri's wereld kent. Dat is nét niet de echte wereld: het instituut is een instituut voor futuristische linguïstiek, dat wil zeggen dat er twee afdelingen zijn. De een houdt zich bezig met de vraag hoe de taal (het Noors, dialecten van het Noors, andere talen) er in de toekomst uit zouden moeten zien, de ander met de vraag hoe ze er daadwerkelijk uit zullen zien. Dat is natuurlijk een tamelijke onzinnige bezigheid – iedereen die iets van taal weet, weet dat je veranderingen alleen kunt voorspellen als je precies weet hoe de héle maatschappij zich gaat ontwikkelen, inclusief alle individuen – wie er smaakmakers zullen worden, in hoeverre die door welke mensen gevolgd gaan worden, enzovoort.

Er valt geen peil op te trekken, alleen een puissant rijk land zal ooit geld uittrekken voor een dergelijke onderneming. Of een romanschrijfster.

De taalkundigen in het boek zijn bovendien het soort taalkundigen waar de gemiddelde populair-wetenschappelijke schrijver van droomt: ze lezen niet alleen over hun eigen kleine discipline, maar daarnaast ook alles wat er los en vast te lezen valt over taalwetenschap, over alle grenzen heen. Een historisch fonoloog en een dialectmorfoloog kunnen elkaar ontmoeten op een congres en praten over een artikel over computertaalkunde. Ik heb zoiets nog nooit meegemaakt: de meeste onderzoekers die ik ken beperken zich uiteindelijk tot een heel klein gebied – de gemiddelde fonoloog is bij wijze van spreke nauwelijks meer op de hoogte van of geïnteresseerd in de ontwikkelingen in de computertaalkunde als een gemiddelde andere ontwikkelde persoon.

Het lijkt me leuk om te fantaseren over een taalkunde die wel zo is, waar een gemiddelde taalkundige wel over al die deelvakken praten kan – dat is de voornaamste reden waarom ik Uri benijd. Ze heeft overigens niet bepaald een utopie geschapen: De besten onder ons is vooral een satire op de roddelzucht, de mateloze ambitie en oneerlijkheid van wetenschappers. Er zitten bovendien op een elegante manier een aantal thema's door het verhaal gevlochten – dat mensen een dubbelleven hebben, dat je ze eigenlijk nooit goed kunt kennen, bijvoorbeeld, of een draadje over de communicatie bij bijen dat uiteindelijk een belangrijke rode draad blijkt te zijn.

Een fijn boek om te lezen; vast een heerlijk boek om te schrijven.

Geen opmerkingen: